Scheepstypen in de 17de eeuw II.

ingevoerd op 16-9-2013

De ‘gemeene’ of gewone fluit. Afb.1. 
Een Gemeene Fluyt (http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/OHR01:42/&st=fluitschip&sc=%28fluitschip%29) wordt deze fluit op het plaatje genoemd. Maar dit schip is een speciale fluit want hij is zwaar bewapend en heeft een galjoen. Dit schip werd gebruikt voor de Straatvaart (Middellandsezee) en de Oostindiëvaart. Het gemeene (gewone,normale) fluit slaat op de afmetingen van het schip.

De gewone fluit met een lengte/breedte-verhouding van 5:1 was het meest toegepaste type. Het schip was 130 voet lang en 26,5 voet breed (1 voet = 28,31 cm). Meestal waren deze schepen licht bewapend. De bemanning bestond uit 10 tot 12 man en een scheepsjongen. De tuigvoering was het eenvoudige driemasttuig van de 17e eeuw met onder- en marszeilen aan de grote mast en de fokkemast en een langsscheeps latijnzeil aan de bezaanmast. Onder de boegspriet werd de blinde gevoerd. Later werd het zeilplan soms nog uitgebreid met bramzeilen en werd op de boegspriet aan een steng de bovenblinde gevoerd. Voor grotere fluiten voegde men later nog een kruiszeil toe aan de bezaanmast.

Model van een fluitschip.
Er was weinig verschil tussen de Straatsvaerders, die op Portugal, Spanje en door de Straat van Gibraltar naar de Middellandse Zee voeren, en de Oostindiëvaarders, die op Azië voeren. Het waren grote schepen, steviger en breder gebouwd dan de normale fluiten en voorzien van een ‘galjoen’ (fraai versierde uitbouwing van de boeg ter ondersteuning van de boegspriet). Achter waren ze iets breder vanwege de ruimere kajuit.

De Straats- en Oostindiëvaarder.
De Oostindiëvaarders werden boven de waterlijn versterkt met ribben en ijzeren banden om buiging en losspringen van de beplanking door de brandende tropische zon tegen te gaan. De schepen hadden dubbele ijzeren puttingen, waarmee het want aan het schip was bevestigd. De grote fluiten hadden een extra dek, de koebrug, die ca. 1,5 meter onder het verdek(1) lag. Het koebrugdek bood naast een extra versterking van het schip een veilige en droge plaats voor het stouwen van de dure specerijen. Op de heenreis was het koebrugdek de plaats waar de soldaten hun onderkomen hadden. De Straets- en Oostindiëvaarders waren voorzien van een hekboord of ‘hakkeboord’ met prachtig houtsnijwerk en schilderingen. Het hoofdmotief van de versieringen hield meestal verband met de scheepsnaam.

De Oostvaarder. Afb.2. 
De Oostvaarders voeren door de Sont naar de landen aan de Baltische Zee. Ze vervoerden hoofd-zakelijk graan. Bij de Sontpassage (http://nl.wikipedia.org/wiki/Sont) werd tol geheven waarvan de hoogte van het bedrag onder meer werd bepaald door de breedte [AM: oppervlakte?] van het dek. Hoe smaller [kleiner?] het dek, des te minder tol er betaald hoefde te worden. Bij de eerste meting van het schip werd het resultaat van de berekeningen op diverse plaatsen in het schip gebrand. Bij de Oostvaarders wer-den de van oorsprong toch al sterk invallende boorden nog verder teruggenomen om een smaller dek te verkrijgen7. Dit voordeel viel weg toen in 1669 de meetregels voor de schepen door de Sont werden gewijzigd. Vanaf die tijd werden de boorden van de fluiten minder ingenomen en maakte men de dekken allengs breder. Oostvaarders met een laadvermogen van100 tot 200 last waren 100 tot 125 voet lang en 22 tot 25 voet breed. Ze waren met niet meer dan 12 koppen bemand en zelden bewapend.

De Noordvaarder of houthaalder (http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/OHR01:52). Afb.3. 
De Noordvaarders voeren hoofdzakelijk op Noorwegen om hout te halen. Bij deze fluit was de holte (om en nabij de hoogte van het laadruim) 2 voet groter. Om het lange hout te kunnen laden en lossen waren de schepen aan de achter- en voorzijde voorzien van een houtpoort. Deze poorten werden tijdens de vaart van binnenuit met luiken afgesloten en dichtgebreeuwd. Aan de zijden was het schip uitgevoerd met ballastpoorten13. De Noordvaarder was iets kleiner dan de normale fluit. De kleinste was 70 à 80 last en voer met een bemanning van 7 man en een scheepsjongen.

De walvis-, kaap- (Noordkaap-) of Groenlandvaarders (http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/NESA02:A0149(282)/&p=1&i=2&t=3&st=groenlandvaarder&sc=%28groenlandvaarder%29/&wst=groenlandvaarder). Afb.4. 
De boeg van de walvisvaarder werd versterkt met extra huidbeplanking om beschadiging van de echte huid door het ijs zoveel mogelijk te voorkomen. Deze beplanking kon zonodig eenvoudig worden vervangen. ”Groenlandts vaarders werden zeer stevigh gebouwt, en men zet de zelve meer hout in de boegh als andere schepen”, Over het achterschip liep een dwarsbalk voor het hijsen en vervoeren van de jachtsloepen. Ter bescherming van de scheepshuid werden op deze plek verticale stootbalken aangebracht. De masten waren dikker dan die van een normale fluit en de voor opbouw liep door tot aan de steven. Fluitschepen als walvisvaarders waren uitermate geschikt voor het varen door ijsvelden. De ronde vorm van het schip geleidde drijvende ijsschotsen langs de romp. Kruiend ijs had weinig grip op het ronde achterschip, zodat dit niet weggedrukt kon worden. De walvisvaarder was iets kleiner dan de normale fluit. Hij kon 100 tot 200 last vervoeren, was 100 tot 125 voet lang en 22 tot 24 voet breed. Walvisvaarders hadden zo’n 40 man aan boord, onder meer vanwege het arbeidsintensieve karakter van de walvisjacht (http://nl.wikipedia.org/wiki/Walvisvaart) en de verwerking van de vangst.

Uytleggers patrouilleren op de Zuiderzee. Afb.6. 
Toen in 1672 de Republiek in oorlog kwam met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen, verschansten troepen uit Keulen en Munster zich aan de Zuiderzeekust van Overijssel en Gelderland met het doel Holland aan te vallen. Kleine fluiten, tjalken, boeiers en smakken werden daarom uitgerust met geschut en soldaten. Deze schepen, de zogenoemde ’Uytlegger (http://www.friesscheepvaartmuseum.nl/collectie/zoeken-in-de-beeldcollectie/indeling/detail?q_searchfield=uytlegger)’ patrouilleerden op de Zuiderzee en binnen de riviermonden. Aan boord bevonden zich ca. 15 tot 25 soldaten en 4 kanons. (3)
Het schip lijkt sterk op de boot, een kleine zwaarbewapende fluit die speciaal werd aangepast om te dienen als patrouille op de Zuiderzee en de wadden.
Het kleinste type fluit was de ‘boot’. Het schip had een lengte/breedte-verhouding die varieerde van 84:18 voet tot 86:21 voet. Het schip was voorzien van een verdek. Het had betere vaareigenschappen dan de boeier en de galjoot. Hij was sneller, de koersvastheid was beter en de kleine zeilen waren makkelijk te hanteren. Als oorlogsschip werden ze voor patrouilledoeleinden gebruikt op de Wadden en de Zuiderzee. Ze waren dan zwaar bewapend en hadden soldaten aan boord.

Het vlaggenschip “Aemilia” (https://nl.wikipedia.org/wiki/Aemilia_(vlaggenschip)) . Afb.6. 
Het schip(ca.1639 - 1648). Vlaggenschip van Maarten Harpertszoon Tromp (https://nl.wikipedia.org/wiki/Maarten_Harpertszoon_Tromp) (1598-1653), bevelhebber van ’s Lands Vloot ”Bestevaer”. 

De smak 17e eeuw. Afb.7.

Het vlaggenschip “Zeven Provinciën” (https://nl.wikipedia.org/wiki/Zeven_Provinci%C3%ABn_(vlaggenschip_1665-1694)) . Afb.8.
Het schip (1643-1659). Vlaggenschip van admiraal Michiel Adriaenzoon de Ruyter (https://nl.wikipedia.org/wiki/Michiel_de_Ruyter) (1607-1676).
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Noten:
1.Het `verdek’ is het bovenste doorlopende dek van een schip.
2.Zie GCE Crone Nederlandse jachten en binnenschepen, visschervaartuigen enz.
3.Op zeeschepen gebruikt men de meervoudsvorm van kanon het woord kanons , op het land gebruikt zegt men kanonnen. Op de schepen is het onderstel van het kanon de rolpaard, op het land noemt men dat een affuit.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Volgende Blog: Scheepstypen in de 18de eeuw I. (http://www.zuiderzeehoorn.nl/nw-27093-7-3488978/nieuws/scheepstypen_in_de_18de_en_19de_eeuw.html)

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Gemeene (normale) fluit Gemeene (normale) fluit
Oostvaarder, Claes Jansz. Visscher de Jong-Kopergr. Fries Scheepvaart Museum Oostvaarder, Claes Jansz. Visscher de Jong-Kopergr. Fries Scheepvaart Museum
De houthealder of katschip De houthealder of katschip
De fluit als walvisvaarder De fluit als walvisvaarder
Een uytlegger of Watte Convoyer. Reinier Nooms,alias Zeeman. Een uytlegger of Watte Convoyer. Reinier Nooms,alias Zeeman.
Aemilia het admiraalsschip van Holland, M.H.Tromp, ca. 1639, Willem van de Velde I, Rijksmuseum. Aemilia het admiraalsschip van Holland, M.H.Tromp, ca. 1639, Willem van de Velde I, Rijksmuseum.
Smak 17e eeuw met scheepsdelen genummerd. Smak 17e eeuw met scheepsdelen genummerd.
Model Zeven Provincien Model Zeven Provincien